Home | Achtergrond | Visie | Basiskennis | Depressie | Diabetes | LowCarb | Overgewicht | Vetfobie | Kokosvet | Praktijk | Backup | Biologisch | FAQ | Studies | Woordenlijst | Links | Contact | Forum | NIEUWSBRIEF

 

    Basiskennis voeding

Voeding is een breed vakgebied.

Daarom eerst een bondige uitleg met betrekking tot de basiskennis over voedsel en voeding. Aan bod komen:

  1. Koolhydraten, vetten en eiwitten

  2. Energie

  3. Stofwisseling of: metabolisme

  4. Vitaminen en mineralen

 

    1. Koolhydraten, vetten en eiwitten

Klik door naar:

  1. Koolhydraten

  2. Vetten

  3. Eiwitten

Welk voedsel je ook eet, het bestaat grofweg uit drie soorten componenten: koolhydraten, vetten en eiwitten. Deze stoffen worden de macronutriënten genoemd. Je hebt ook micronutriënten. Hieronder vallen de vitamines, mineralen en sporenelementen. Koolhydraten, vetten en eiwitten zijn opgebouwd uit moleculen die een bijna oneindige diversiteit kennen.

Koolhydraten

De koolhydraten zijn onder te verdelen in de mono-, di-, oligo- en polysachariden. De belangrijkste bronnen van koolhydraten zijn: brood, aardappelen, granen, pasta's, macaroni, fruit en suiker.

 Monosachariden: enkelvoudige suikers. De bekendste zijn: glucose, fructose en galactose

Glucose. Dit is kortweg de meest basale vorm van suiker. Producten als macaroni, brood en aardappelen worden allemaal uiteindelijk tot de basissuiker glucose verteerd in je lichaam.

   

 

 

Disachariden: tweevoudige suikers. Bijvoorbeeld: tafel- of rietsuiker, maltose, lactose.

                                                                                  Lactose (melksuiker)

                                                                           

 

Dit suiker komt voor in bijvoorbeeld boter en melk, maar ook veel in voedingsmiddelen die door de voedingsmiddelenindustrie worden gemaakt.

Oligosachariden: suikers die uit 3 tot 10 glucose-eenheden bestaan, bijvoorbeeld maltodextrine.

Polysachariden: moleculen met meer dan 10 en tot in de duizenden suikereenheden. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn: zetmeel, cellulose en glycogeen.

Top

Vetten

Vetten zijn in feite onderdeel van de voedingsgroep die 'lipiden' wordt genoemd. De lipiden bestaan uit de triglyceriden (vetten en oliën), fosfolipiden en sterolen. Wat wij doorgaans als "vetten" zien, zijn de vetten en oliën zoals we die in de dagelijkse praktijk tegenkomen. Voorbeelden zijn: roomboter, olijfolie, zonnebloemolie en pinda-olie (arachide-olie).

Vetten zijn onder te verdelen in

  • verzadigde vetten (VV),

  • enkelvoudig onverzadigde vetten (EOV's) en

  • meervoudig onverzadigde vetten (MOV's)

Verzadigde vetten zitten vooral in dierlijke producten zoals vlees en boter, maar ook chocolade. EOV's zitten in meerdere oliesoorten zoals olijfolie, maar zij komen ook veel in vis en visproducten voor. MOV's zitten vooral in plantaardige oliën zoals raapzaadolie, zonnebloemolie en pindaolie.

De toevoeging "verzadigd", "enkelvoudig onverzadigd" of "meervoudig onverzadigd" heeft betrekking op hoe het vetzuurmolecuul er uit ziet (zie verder).

Verder zijn er nog de fosfolipiden en de sterolen, die, net als vetten, tot de zogeheten lipiden behoren. Cholesterol is een bekend voorbeeld van een sterol.

<--Cholesterol  

 

 

                                         

 

                                                                                                                          

Triglyceriden

Triglyceriden zijn stoffen die opgebouwd zijn uit 3 vetzuren die vastzitten aan een glycerolmolecuul (d.m.v. verestering). Dit kunnen verschillende soorten vetzuren zijn. In het plaatje rechtsboven is een schematische voorstelling gegeven van een triglyceride, een vet dus. In het groene gedeelte zit het glycerolgedeelte, en de gele vlakken zijn de vetzuren.

Top

Verzadigd, enkel- en meervoudig onverzadigd.

 

Vetzuren   

 

In het figuur hiernaast zie je een overzicht van enkele veelvoorkomende vetzuren. De eerste drie vetzuren zijn alle verzadigd: alle C-atomen zijn voorzien van H-atomen. Vanaf het vierde vetzuur van boven zie je de eerste dubbele binding.

Dit vetzuur, oliezuur, is dus een EOV. Het vetzuur daaronder, linolzuur, heeft twee dubbele bindingen, en is daarom meervoudig onverzadigd, een MOV dus. Alle vetzuren daaronder zijn dus allen ook MOV's.

 

 

 

 

Omega-3 en 6-vetzuren

Drie veelvoorkomende omega-3-vetzuren (of n-3-vetzuren of ω-3-vetzuren) ziet u terug in de laatste 3 vetzuren in bovenstaand plaatje: ALA, EPA en DHA, respectievelijk alfalinoleenzuur, eicosapentaeenzuur en docosahexaeenzuur. Eicosa staat voor 20, docosa staat voor 22, dit slaat op het aantal C-atomen in de structuur. Penta-een betekent '5 (penta=5) dubbele bindingen'; hexa-een betekent '6 (hexa=6)dubbele bindingen.

Het karakteristieke aan deze n-3-vetzuren is dat de eerste onverzadigde binding begint op 3 C-atomen van het methyleinde van het vetzuurmolecuul (in dit plaatje aan de linkerkant getekend). Dit wordt ook het omega-uiteinde genoemd.

Boven het rijtje n-3-vetzuren ziet u 3 voorbeelden van n-6-/omega-6- /ω-6-vetzuren. In dit plaatje zijn dat linolzuur, gamma-linoleenzuur (GLA) en arachidonzuur (AA). De eerste onverzadigde(of dubbele) binding begint 6 C-atomen van het methyleinde af. Logischerwijs is het 4e vetzuur van boven, 'oleic acid' oftewel oliezuur, een omega-9, of n-9 of ook wel ω-9 vetzuur. Dit is dus een enkelvoudig onverzadigd omega-9 vetzuur. Oliezuur is het meest voorkomende vetzuur in olijfolie.

Hieronder een overzichtelijke tabel met daarin veelvoorkomende vetten en oliën en hun vetzuurprofiel.

 

Totaal vet

VV

EOV

MOV (n-3 + n-6)

n-3 vetzuren

Vetten & oliën

 

 

 

 

 

ALA (geen EPA of DHA)

Olijfolie

100

14

73

8

0,7

Zonnebloemolie

100

12

21

63

0,1

Sojaolie

100

15

22

59

7,3

Raapzaadolie

(Canola-olie)

100

7

59

29

10

Lijnzaadolie

100

10

16

65

55

Tarwekiemolie

100

18,5

17

60

5

Walnootolie

100

9

16

70

11,5

Saffloerolie

100

10

12

74

0,1

Maïsolie

100

14,5

30

51

0,9

Palmolie

100

48

37

10,5

0,3

Kokosnootolie

100

87

6

1,5

0

Arachideolie (pindaolie)

100

20

44

31

0

Reuzel (uitgesmolten varkensvet)

100

48

32

9

0,5

Roomboter

82

51

24

2

ca 1

Harde margarine

80

34

20

21

1-2

Zachte margarine (60% vet)

60

12

17

26

(ca 3)4

Frituurvet vast

100

46

27

8

Ca 1

Frituurvet vloeibaar 2,3,4

100

13

23

59

 

Mayonaise 2,4

67

8

21

36

1-2

Fritessaus, 25%

26

4

6

15

1-2

(gedeeltelijk ontleend aan het Voedingscentrum)

Klik hier om te kijken naar de gezondheidsaspecten van omega-3- en 6-vetzuren.

 

Top

 

 

Verder kan er bij onverzadigde vetten sprake zijn van een cis- of transbinding. Dit wordt in het plaatje hiernaast duidelijk gemaakt>>>

Transvetzuren zijn een bepaald soort onverzadigde vetzuren. 'Trans' zegt
iets over de vorm van het onverzadigde vetmolecuul. In de scheikundige
structuur van transvetzuren liggen bij een dubbele binding de twee waterstofatomen (in het plaatje geel gemarkeerd) aan weerskanten van de dubbele binding.

Transvetten zijn in de laatste jaren veelvuldig het onderwerp geweest van onderzoek:

"Gezondheidsaspecten van transvetzuren

De nutritionele en fysiologische effecten van transvetzuren werden reeds 25 tot 30 jaar geleden uitgebreid bestudeerd. Deze studies concludeerden toen dat transvetzuren geen invloed hadden op het cholesterolgehalte in het bloed.

In het begin van de jaren 90 werden de gezondheidsaspecten van transvetzuren echter opnieuw onder de aandacht gebracht. Nieuwe studies hadden aangetoond dat transvetzuren wel een negatief effect hadden op het bloedcholesterolgehalte. Concreet werd een stijging van het LDL-bloedcholesterolgehalte vastgesteld evenals van het Lipoproteïne (a), een genetisch bepaalde variant van LDL waarvan het atherogene risico voorlopig echter nog onduidelijk is. Bij hoge innames van transvetzuren (>10g/dag) werd ook een daling van het HDL-bloedcholesterolgehalte gemeten. Hiermee werd een mogelijk oorzakelijk verband aangetoond tussen de consumptie van transvetzuren en de ontwikkeling van hart- en vaatziekten. Dit oorzakelijke verband wordt echter nog niet algemeen aanvaard. Vooral vanuit de Verenigde Staten is er kritiek op de opbouw en conclusies van de verschillende studies.
(...)
Op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens kunnen bijgevolg nog geen eenduidige conclusies worden getrokken over het al of niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen de huidige consumptie van transvetzuren en atherogenese. Dit meningsverschil blijkt ook uit verschillende rapporten waarin verschillende adviezen worden geformuleerd. De raadgeving om de inname van transvetzuren niet te verhogen en waar nodig te beperken heeft echter de overhand.

(Bron: www.nice-info.be)
 

Transvetzuren ontstaan door bewerkingprocessen van oliën en vetten. Men noemt dit proces ook wel gedeeltelijke harding of gedeeltelijke hydrogenering van vetten. Het gedeeltelijk harden van vetten wordt toegepast om het smeltpunt van vet te verhogen en de houdbaarheid te vergroten. Dit proces speelt zich in de natuur ook af in de pensflora van herkauwers. Daarom komen transvetzuren van nature ook voor in melk en vlees van herkauwers.

Tot enkele jaren geleden was het gehalte aan transvetzuren in margarine, halvarine en bak- en braadproducten vrij hoog. Tegenwoordig zijn de productietechnieken aangepast, waardoor praktisch geen transvetzuren meer voorkomen in deze producten.

Bron : www.voorlichtingmvo.nl

Verzadigde vetten hebben de neiging bij kamertemperatuur vast te zijn, EOV's en MOV's hebben de neiging om bij kamertemperatuur juist vloeibaar te zijn. Verder zijn de verzadigde vetten vaak van dierlijke oorsprong (uitzonderingen: palmolie en kokosvet) en zijn de onverzadigde vetten vaak van plantaardige oorsprong (uitzonderingen: DHA en EPA)

Top

Een indeling op ketenlengte

Vetzuren kunnen ook ingedeeld worden op basis van hun ketenlengte. Echte harde consensus over deze indeling bestaat er niet. Zo zegt de ene voedingskundige dat de middellange vetzuren van 6 tot 10 C-atomen lopen, terwijl de andere vindt dat deze loopt van 6 tot 12 C-atomen. Ik houd mij voor de uitleg hier aan de definitie van onze 'schoolbijbel' van de voeding en dat is het boek dat wij "Whitney" noemen (dit is "Understanding normal and clinical nutrition", Whitney, E.N. et al, 6e editie 2002, Wadsworth). Overigens reken ik laurinezuur persoonlijk wel tot de MCFA's, omdat dit het voornaamste vetzuur is in kokosolie en het gedrag vertoont van een middellangeketen vetzuur, namelijk: directe absorptie in het bloed buiten de lever en de gal om.

SCFA < 6 C

 

1C

Mierenzuur

2C

Azijnzuur

3C

Propionzuur

4C

Boterzuur

MCFA 6-10 C

6C

Capronzuur

8C

Caprylzuur

10C

Caprinezuur

LCFA 12 en hoger

12C

Laurinezuur

14C

Myristinezuur

16C

Palmitinezuur

 

18C

Stearinezuur

20C

Arachinezuur

22C

Beheenzuur

UitlegSCFA staat voor 'short chain fatty acid', wat betekent: kortketenig vetzuur. MCFA staat voor 'medium chain fatty acid', wat betekent: middellang vetzuur en LCFA staat voor 'long chain fatty acid', wat betekent: langeketen vetzuur. In de tabel zijn alleen verzadigde vetzuren geplaatst, maar oliezuur (korte notatie 18:1) zou dus ook een LCFA zijn, net als EPA (eicosapentaeenzuur, of 20:5) en DHA (docosahexaeenzuur, of 22:6).

Top

Eiwitten

Eiwitten zijn stoffen die opgebouwd zijn uit aminozuren. Eiwitten kunnen relatief grote en complexe moleculen zijn. Bekende voorbeelden hiervan zijn insuline en hemoglobine. Eiwitten worden ook wel proteïnen genoemd. De primaire functiegebieden van eiwitten zijn:

  • groei

  • enzymfunctie

  • vorming van hormonen

  • vochtbalans

  • zuur-base balans

  • transport van vitaminen, mineralen etc.

  • immuunsysteem

Zoals gezegd, worden eiwitten opgebouwd uit aminozuren. Aminozuren zijn dus de bouwstenen voor eiwitten, net zoals de monosacchariden als glucose en galactose de bouwstenen zijn voor koolhydraten (en vezels). Hieronder is de algemene structuurformule van een aminozuur weergegeven.

 Centraal staat het C atoom (koolstof). Dit C atoom is omringd door een NH2 groep (de aminogroep), een COOH groep (de zuurgroep) en een restgroep (R). Dit verklaart ook de naam ´aminozuur´. De restgroep R staat voor bijvoorbeeld een H- atoom, een methylgroep ( CH3) of een andere complexere groep zoals een benzeenring.

 

 

Hemoglobine

Hiernaast zie je een animatie van een complex eiwit: hemoglobine, afgekort Hb.

 

 

 

 

 

Top

 

    2. Energie

Wij hebben energie nodig om onze dagelijkse bezigheden uit te voeren. Deze energie halen wij uit voeding*. De gemiddelde behoefte verschilt uiteraard per leeftijdsgroep, maar ook per geslacht. Mannen hebben over het algemeen een hogere energiebehoefte dan vrouwen. Ook hangt de behoefte van energie af van je inspanningen en (sport-)activiteiten. In onderstaande tabel een overzicht van de energiebehoefte per leeftijdsgroep en geslacht.

 

Bij inactieve leefstijl

 

Bij actievere leefstijl

 

 

Bij inactieve leefstijl

 

Bij actievere leefstijl

 

Jongens/ mannen

kJ

kcal

kJ

kcal

Meisjes/ vrouwen

kJ                          

kcal

kJ

kcal

0 t/m 2 mnd

   

3900

900

0 t/m 2 mnd

   

3900

900

3 t/m 5 mnd

   

3500

800

3 t/m 5 mnd

   

3500

800

6 t/m 11 mnd

   

3500

800

6 t/m 11 mnd

   

3500

800

1 t/m 3 jaar

4500

1100

5000

1200

1 t/m 3 jaar

4200

1000

4700

1100

4 t/m 8

6200

1500

7200

1700

4 t/m 8

5700

1400

6500

1500

9 t/m 13

9400

2200

10600

2500

9 t/m 13

8600

2100

9500

2300

14 t/m 18

12100

2900

14000

3300

14 t/m 18

9200

2200

10400

2500

19 t/m 30

11400

2700

12900

3100

19 t/m 30

9000

2100

10200

2400

31 t/m 50

10700

2500

12200

2900

31 t/m 50

8400

2000

9700

2300

51 t/m 70

9700

2300

11000

2600

51 t/m 70

8000

1900

9000

2100

70+

8000

1900

9300

2200

70+

6700

1600

7800

1900

Zwangeren

       

Lacterenden

       

19 t/m 30

10200

2400

11400

2700

19 t/m 30

11100

2600

12300

2900

31 t/m 50

9600

2300

10900

2600

31 t/m 50

10500

2500

11800

2800

In de tabel zijn energiewaarden weergegeven in kilojoules (kJ) en kilocalorieën (kcal). Dit, omdat deze twee grootheden allebei nog worden gebruikt en de ene persoon de voorkeur geeft an rekenen met kilojoules en de ander aan rekenen met kilocalorieën. 1 kcal=4,18 kJ, dus om te rekenen van kilojoules naar kcal deel je het bedrag door 4,18; om te rekenen van kcal naar kilojoules, vermenigvuldig je met 4,18. Dus 418 kJ= 418/4,18=100 kcal. We zien dus dat de calorie een grotere grootheid is dan de joule.

Verbrandingsenergie van de verschillende voedingsstoffen

De verbrandingswaarde van eiwitten, koolhydraten en vetten zijn respectievelijk 4, 4 en 9 kilocalorieën per gram. Of 17, 17 en 38 kilojoules per gram (afgerond). Vetten leveren dus veruit de meeste (theoretische) verbrandingswaarde. Verder levert alcohol 7 kilocalorieën of 29 kilojoules per gram. Opgemerkt moet worden dat eiwitten geen hoofdbestanddeel van de energievoorziening zijn, maar een primaire functie hebben als bouwstof en uitgangsstof voor allerlei enzymsystemen en andere ondersteunende functies in het lichaam. De echte brandstoffen van het lichaam zijn vetten en koolhydraten.

* Er zijn andere soorten energie die door sommigen meer, en door sommigen minder erkend worden, die maken of een mens functioneert. Genoemd kunnen worden mentale energie, chi, spirituele energie, etc.

Top

 

    3. Stofwisseling (volgt)

    4. Vitaminen en mineralen

De vitaminen zijn grofweg als volgt in te delen:

  • de vetoplosbare vitaminen A,D, E en K

  • de wateroplosbare vitaminen B ( de bekendste zijn B1,B2,B3,B5,B6,B12) en C

In onderstaande tabel staan schematische enkele veelvoorkomende vitaminen weergegeven.

Vitamine

...wordt ook wel genoemd:

...komt o.a. voor in:

 

A

 verzamelnaam voor de 3 vormen retinol, retinal en retinoïnezuur

melk- en melkproducten, donker groene blad- en geel/oranje groenten (als β-caroteen, de voorloper van vitamine A)

D

calciferol, calcitriol (1,25-dihydroxy-vitamine D3; actieve vorm), D2 (ergocalciferol; plantaardig)

wordt gesynthetiseerd uit 7-dehydrocholesterol in de huid onder invloed van UV-licht van de zon; margarines, boter, granen, vlees en vis, eidooiers

E

tocoferol (α,β,γ en δ vormen, alleen de α-vorm is actief als vitamine E)

plantaardige oliën

K

-

de darmen van de mens: de  vitamine wordt geproduceerd door bacteriën van de dikke darm; lever, groene bladgroenten, melk

 

B1

thiamine

brood, graanproducten, aardappelen, groente, vlees, vleeswaren, melk, melkproducten

B2

riboflavine

melk, melkproducten, kaas, vlees, vleeswaren, groente, fruit, brood en graanproducten

B3

niacine

melk, eieren, vlees/vis/gevogelte, volkoren granen, noten, eiwithoudende producten

B5

pantotheenzuur

orgaanvlees, paddestoelen, avocado's, broccoli, volkoren granen

B6

verzamelnaam voor pyridoxine, pyridoxal en pyridoxamine

vlees, eieren, vis, brood, graanproducten, aardappelen, peulvruchten, groente, melk, melkproducten, kaas

B9 (= ook B11)

foliumzuur

volkoren producten, (groene) groenten en fruit

B12

cobalamine

melk, melkproducten, kaas, vlees, vleeswaren, vis, eieren

 

C

(L)-ascorbinezuur

(citrus)-fruit, groenten en aardappelen

Wordt vervolgd...

Top

Bronnen:

"Understanding normal and clinical nutrition", Whitney, E.N. et al, 6e editie 2002, Wadsworth.

BINAS havo/vwo, Verkerk G. et al, 5e druk (2004), Wolters-Noordhoff

Nederlandse Voedingsmiddelentabel, Voedingscentrum, 2004 40e druk, Hoonte Bosch & Keuning, Utrecht

 

 

Home | Achtergrond | Visie | Basiskennis | Depressie | Diabetes | LowCarb | Overgewicht | Vetfobie | Kokosvet | Praktijk | Backup | Biologisch | FAQ | Studies | Woordenlijst | Links | Contact | Forum | NIEUWSBRIEF